Hitte, droogte en wateroverlast. Ons klimaat verandert en het weer wordt extremer. Dit raakt direct onze gezondheid en roept de vraag op: hoe passen we ons en onze leefomgeving aan? Op woensdag 7 oktober 2026 organiseerde het Netwerk Maak Ruimte voor Gezondheid een netwerkbijeenkomst met als thema klimaatadaptatie. Op het programma: ambities van het Rijk met de Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2026, gezondheidseffecten van klimaatverandering in de toekomst en lokale adaptatiemaatregelen.
Klimaatadaptatie gaat allang niet meer om scenario’s en mogelijke gezondheidsrisico’s in de toekomst. We hebben nú al te maken met de gevolgen van klimaatverandering. De afgelopen zomer zorgde hitte voor oversterfte en problemen rondom gezondheid: De GGD West-Brabant vertelde dat zij vragen kregen van een thuiszorgorganisatie als ‘Hoe kunnen we onze medewerkers hun werk laten doen, als het te warm is om op de fiets bij cliënten langs te gaan en hen te wassen in hete, slecht geventileerde badkamers?’; in de gemeente Enschede is vorig jaar door een hoosbui dusdanige schade aan woningen ontstaan dat deze onbewoonbaar blijven; en een deelnemer merkt op zich zorgen te maken over de mogelijk grote impact van overstroming van een geneesmiddelenfabriek in zijn gemeente.
Kortom, alle deelnemers waren zich bewust van de urgentie van klimaatadaptatie. Iedereen voelde de noodzaak voor een integrale aanpak, het gebruiken van gezondheid als argument om maatregelen te nemen en – last but not least – het gebruik van de juiste terminologie: ‘Een klimaatbestendig Nederland’, stelt dat mensen niet te veel gerust?
Sprekers: Elze van Langen (IenW) & Laurens Hondema (VWS)
Elze van Langen van het ministerie Infrastructuur en Waterstaat vertelde dat de Nationale Klimaatadapatiestrategie 2026 (NAS’26) als doel heeft om ons land voor te bereiden en weerbaarder te maken voor de gevolgen van klimaatverandering. Het gaat om een rijksbrede strategie met inspanningsverplichtingen (alleen) voor het Rijk. Elze benadrukt dat risico’s niet kunnen worden voorkómen, de NAS richt zich op het beheersbaar maken ervan.
Nieuw in de NAS’26 ten opzichte van de NAS uit 2016: de integrale blik, verder vooruitkijken (naar 2100), zo concreet mogelijke doelen én participatie. Zo heeft de NAS bijvoorbeeld input opgehaald bij jongeren.
Het ministerie van (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) heeft in mei 2026 de ontwerp-NAS gepubliceerd. In de zomer was het mogelijk zienswijzen in te dienen en in dit najaar wordt er gewerkt aan een reactienota. De definitieve NAS’26 is eind 2026 klaar, met het bijbehorende Nationale Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUP KA).
Drie impactanalyses, drie scenario’s
In de NAS’26 staat wat het Rijk doet aan het klimaatbestendig maken van ons land. Decentrale overheden, maatschappelijke organisaties en bedrijven kunnen hun eigen aanpak ontwikkelen. Daarbij kunnen zij gebruikmaken van de adaptatiepadenkaarten uit de NAS met mogelijke maatregelen & beleidsopties, en uit de drie impactanalyses die aan de NAS vooraf gingen. Dat gaat om de klimaatrisicoanalyse, de sociale impact analyse en de plan-MER waarin de impact van klimaatadaptatiebeleid op respectievelijk klimaat, milieu en maatschappij in beeld is gebracht.
In alle drie analyses is gekeken naar drie scenario’s: huidig beleid, intensiveren en transformeren. ‘Huidig beleid’ spreekt voor zich. ‘Intensiveren’ gaat om het versterken en toevoegen van technische oplossingen aan het huidige beleid. ‘Transformeren’ gaat om het anders organiseren en inrichten van systemen en de leefomgeving. Dat kan gaan om het bevorderen van witte daken en groene gevels, maar ook grotere ingrepen als het verplaatsen van functies zoals landbouw.
Adaptatiepadenkaarten
Laurens Hondema van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vertelde hoe gezondheid een plek heeft gekregen in de NAS. Dat dit nodig is, is duidelijk vanwege de verwachte impact van klimaatverandering op de gezondheid. Zowel rechtstreeks door de toename van hitte, UV-straling, infectieziekten en pollen, als indirect via de toename van weersextremen zoals droogte, overstromingen en wateroverlast. Dit alles heeft ook effecten op de mentale gezondheid.
De NAS heeft gezondheid opgenomen in twee hoofdstukken: ‘Hittebestendige steden en dorpen’ en ‘Gezond blijven in tijden van klimaatverandering’. In beide is een zogenaamde ‘adaptatiepadenkaart’ opgenomen met een scala aan maatregelen. Sommige maatregelen hebben meteen effect, bijvoorbeeld gedragsaanpassingen en koelen van gebouwen, andere zijn pas op langere termijn effectief. Zoals maatregelen waarvoor een aanlooptijd nodig is, bijvoorbeeld het inrichten van een groenblauwe, koele buitenruimte en een open stadsstructuur waardoor koelte van het buitengebied gemakkelijker de stad in kan waaien. Voor dit type maatregelen is een goede samenwerking met het fysieke domein essentieel. Laurens vertelt dat voor het bevorderen van integraal werken aan klimaatadaptatie het Platform Samen Klimaatbestendig is opgericht.
Lezing: Verkenning toekomstige gezondheidseffecten van klimaatverandering
Sprekers: Joost van der Ree & Saskia Oostdijk (RIVM)
Joost van der Ree van het RIVM liet zien welke gezondheidsrisico’s er zijn in 2050 (voor alle drie klimaatscenario’s van het (Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut)), met welke maatregelen we deze risico’s kunnen verminderen en hoe we actie kunnen ondernemen. Hij vatte de resultaten van de verkenning van toekomstige gezondheidseffecten van klimaatverandering samen. Deze verkenning was onderdeel van de klimaatrisicoanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
Conclusie van de verkenning: ook een milde klimaatverandering heeft effecten op de gezondheid en er zijn dus maatregelen nodig om deze te beperken. Waarschijnlijk zijn bestaande inspanningen daarvoor onvoldoende. Het is dus belangrijk om meer te doen en om daar alvast mee te beginnen. Het kost namelijk tijd voordat maatregelen zijn uitgevoerd én effect hebben. De beste manier om gezondheidseffecten op langere termijn te verminderen is een combinatie van ‘intensiveren’ – het versterken en toevoegen van technische maatregelen – en ‘transformeren’ – het anders organiseren en inrichten van systemen en de leefomgeving: Het inzetten van technologische ontwikkelingen (koelingssystemen bijvoorbeeld) en versterken van de zorgcapaciteit; en aanpassingen in de leefomgeving en op sociaal-maatschappelijke vlak.
Is het in de toekomst misschien gunstiger om schoolvakanties te plannen in juni en september, en kinderen in juli en augustus juist naar een school met airco te laten gaan?
Voor nu kunnen we starten met:
Het uitvoeren van stresstesten en risicodialogen zoals afgesproken in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA), zodat goed in beeld is hoe kwetsbaar gebieden zijn voor extreme neerslag, hitte, droogte en overstroming. En hoe deze kwetsbaarheid met concrete maatregelen is te verkleinen.
Eén van de partijen die deze zomer een zienswijze heeft ingediend op de ontwerp-NAS is de GGD GHOR Nederland. Jantine Röttgering van de GGD West-Brabant licht hun reactie toe. Ze vertelt dat zij blij zijn dat gezondheid centraal staat in de NAS’26 – dat is een vooruitgang ten opzichte van de NAS uit 2016. Dat geldt ook voor het uitwerken van hitte, klimaatbestendig wonen en wateroverlast als belangrijke opgaven in de NAS’26.
Toch ziet de organisatie verbeterpunten en adviseert o.a. maatregelen uit te werken voor kwetsbare groepen en rekening te houden met gezondheidsverschillen. Denk aan prioritering van wijken met mensen met meer gezondheidsproblemen. Ook missen zij in de ontwerp-NAS een aanpak voor hittebestrijding in bestaande woningen en utiliteitsbouw (denk aan scholen, consultatiebureaus, ziekenhuizen).
Verder doen zij een oproep voor heldere afspraken over de verdeling van taken en rollen bij o.a. crisisbeheersing (zoals het specificeren van het plan voor spoedeisende hulp bij bijvoorbeeld extreme regen) of het uitvoeren van maatregelen. Wat doet het Rijk? Wat doen gemeenten? Én, wat doen de GGD'en? Zo lopen zij nu al tegen het probleem aan dat gemeenten geen invloed kunnen uitoefenen op voor de hand liggende maatregelen, zoals het verplichten van zonwering aan de buitenkant bij nieuwbouw. En, niet geheel onbelangrijk, hoe worden maatregelen in de praktijk gefinancierd?
Handreiking Klimaatadaptatie en Gezondheid: aan de slag met UV-straling en infectieziekten
Workshopleiders: Patrick Klaassen (GGD Gelderland-Zuid) en Diana van Dongen (GGD Haaglanden)
Patrick Klaassen (GGD Gelderland-Zuid) en Diana van Dongen (GGD Haaglanden), beide lid van de GGD-werkgroep Klimaatadaptatie, vertelden over de vorige jaar geüpdatete GGD-handreiking klimaatadaptatie en gezondheid.
Diana vertelde dat we blootstelling aan UV-straling nodig hebben voor de aanmaak van vitamine D, maar te veel UV-straling kan leiden tot huidkanker en (minder bekend) staar. Nederland heeft al jaren de hoogste incidentie huidkanker van Europa… En door klimaatverandering neemt de blootstelling aan UV-straling toe. Veel mensen veronderstellen dat er alleen in de zomer en bij hoge temperaturen bescherming nodig is tegen UV-straling. Dit is een misverstand: gedurende een veel langere periode van het jaar staat de zon al zo hoog dat het adagium ‘weren-kleren-smeren’ nodig is: van het vroege voorjaar tot diep in de herfst is de UV-index boven de 3. De KWF Kankerbestrijding toonde aan dat schaduwmaatregelen effectief zijn, net als het verstrekken van zonnebrand via ‘zonnebrandpalen’. Zeker in combinatie met voorlichting, met name op middelbare scholen.
Patrick ging in op een ander gezondheidsrisico door klimaatverandering: de toename van infectieziekten door warmer weer en meer regen. Helaas kunnen juist door klimaatadaptatiemaatregelen het aantal broedplaatsen toenemen van bijvoorbeeld muggen, ratten en andere verspreiders van infectieziekten. Iets om extra op te letten dus bij vergroening en wateropvang.
Patrick licht toe dat dit al een aantal jaren aan de gang is: de tijgermug vestigt zich op steeds meer plaatsen in het land, en Westnijlvirusinfecties komen steeds vaker voor bij mensen. Aanpassing is nodig, en dat ligt vooral op het gebied van gedragsverandering (bescherming tegen teken en muggen) en versterken van de biodiversiteit. De kunst is een manier te vinden om mensen goed te informeren over risico’s en manieren om je te beschermen, zonder betuttelend te zijn.
Op Heat Action Day, 2 juni 2026, tekende de gemeente Rotterdam en de GGD Rotterdam, samen met partijen uit zorg en welzijn, het Rotterdams Hitteplan 1.0. Samen erkennen zij dat aanhoudende hitte en extreme warmte toenemende risico’s met zich meebrengt voor de gezondheid en welzijn van inwoners, in het bijzonder van kwetsbare groepen. Het lokaal hitteplan is een intentieverklaring, zonder concreet plan of draaiboek. Er is niets vastgelegd over wat, hoe en wie.
Om te ervaren wat dat in de praktijk betekent, gaf workshopleider Kelly Coenen van de GGD Rotterdam de deelnemers de opdracht om het lokaal hitteplan in werking te stellen in een fictieve casus. Ze gingen aan de slag met vragen als ‘welke kwetsbare groepen wonen in deze buurt?’ en ‘welke communicatiemiddelen werken hier, en welke niet?’. Dit gaf een goede inkijk in het belang van het kennen van de buurten, van sleutelfiguren en het durven kiezen van ongebruikelijke communicatie, juist ook offline.
Rondwandeling klimaatadaptatieprojecten in Utrecht
Workshopleiders: Jeroen Koning en Jeroen van der Kruit (gemeente Utrecht)
Jeroen Koning en Jeroen van der Kruit van de gemeente Utrecht namen de deelnemers mee op pad in het centrumgebied van Utrecht. Daar is de afgelopen decennia veel veranderd, en ook de komende 10 jaar zal er veel worden gebouwd en verdicht. Juist op dit soort intensief gebruikte locaties is klimaatadaptatie nodig. Op de locaties die werden bezocht tijdens de wandeling waren de aanpassingen duidelijk zichtbaar. Wat hielp: van alle locaties hadden de workshopsleiders een foto bij zich van de inrichting vóór de aanpassingen. Een voorbeeld: een stenig plein met enkele bomen in (te) kleine boomspiegels voor de rechtbank veranderde in groene oase met grote bakken voor planten en de bestaande bomen. Een plek waar je nu wel in de schaduw kunt zitten, waar meer water wordt opgeslagen en het minder warm wordt op zomerse dagen.
Ook stonden we o.a. stil bij de Moreelsebrug (waar de geselecteerde bomen geleidelijk hun blad verliezen om het treinverkeer niet te verhinderen) en het spectaculaire Wonderwoods (waar hoveniers abseilen om de groene balkons te verzorgen). Twee bijzondere vormen van vergroening.
Programma Waterveiligheid en Ruimte Limburg: “Voorkomen kan niet, maar beter voorbereiden kan wel”
Workshopleider: Maarten van der Sande (Waterveiligheid en Ruimte Limburg, WRL)
Maarten van der Sande van het Programma Waterveiligheid en Ruimte Limburg (WRL) vertelde over het programma dat is ontstaan naar aanleiding van de extreme neerslag en overstromingen in Limburg in juli 2021. Binnen WRL werken de Provincie Limburg, Waterschap Limburg, de Limburgse gemeenten en het Rijk samen om Limburg beter te beschermen tegen én voor te bereiden op extreme neerslag. Rijk en regio werken hierin samen en stellen ieder €300 miljoen beschikbaar. Centraal daarbij staat de gedachte: “Voorkomen kan niet, maar beter voorbereiden kan wel.”
Het programma richt zich op de regionale beken en zijrivieren van de Maas. Per stroomgebied wordt eerst een verkenning uitgevoerd. Op basis daarvan volgt een samenhangend maatregelenpakket rond drie pijlers: fysieke maatregelen, ruimtelijke aanpassingen en het versterken van waterbewustzijn en weerbaarheid. Voor stroomgebied de Geul vindt deze aanpak ook grensoverschrijdend plaats, in samenwerking met vijf Belgische gemeenten. Studievarianten en een plan-MER ondersteunen de afweging tussen waterveiligheid, kosten en gevolgen voor mens, economie en natuur.
In de sessie ging Maarten specifiek in op het onderdeel vergroten waterweerbaarheid. Uit inwonersonderzoek blijkt dat de risicoperceptie in Limburg hoog is (maar wel afneemt naarmate de tijd verstrijkt), terwijl de persoonlijke risicoperceptie laag is (en ook afneemt naarmate de tijd vordert). Wel neemt de bereidheid om zelf maatregelen te nemen toe. Daarom blijven heldere communicatie, vroegtijdige waarschuwing en zelfredzaamheid gedurende de eerste 72 uur belangrijk. Voor kwetsbare groepen is maatwerk nodig. In de discussie met de zaal werd daarnaast gewezen op het belang van bestuurlijk draagvlak, samenwerking met woningcorporaties en een realistische boodschap: maatregelen kunnen risico’s en schade beperken, maar niet volledig voorkomen.